Kamperen zonder poespas bij De Mig

Een zandpad langs wuivend gras met uitbundige klaprozen en margrieten. Jonge (fruit)bomen en kruidentuintjes vol munt en citroenmelisse voor een écht verse kop thee. Een bootje tuft af en toe voorbij in de vaart, een enorme straaljager en zandbak als enige speeltoestellen voor de kinderen. Deze plek ademt eenvoud en rust. En schreeuwt tegelijkertijd snoeihard in je oren: ONTDEK!

Natuurkampeerterrein De Mig bij Netl (Kraggenburg, de Noordoostpolder) houdt niet van poespas of dikdoenerij. De kampeerders moeten het hier doen met de elementen aarde, water, lucht en vuur. Niks meer en niks minder. Maar daar heb je dan ook meteen je handen vol aan, kan ik u verklappen.

Je kunt munt, citroenmelisse of rozemarijn plukken.

Het kampeerterrein is eenvoudig van opzet met ruime kampeerplaatsen langs een breed zandpad of langs gemaaide paden in het hoge gras. De beplanting is echt anders dan anders. Veel bloeiende bloemen, heerlijk in de wind wuivend gras (dat geluid!) en jonge fruitbomen, die over een paar jaar vast voor schaduw en lekkere versnaperingen zorgen. De kruidentuintjes her en der bieden van alles wat. Je kunt er munt en citroenmelisse plukken voor thee of rozemarijn om de warme maaltijd op te spicen.

De kachels die her en der voor het grijpen staan en een houten hok vol zakken haardhout (tegen betaling), maken de avonden op De Mig extra knus.

De omgeving die schreeuwt: ‘Kom je spelen?’

Maar de echte kracht van deze camping is de omgeving die van alle kanten aan je trekt. Die lonkt. Nee, die schreeuwt: ‘Kom je spelen?’ Geen echte bewegwijzering, gewoon de gemaaide paden volgen en je duikt zo de jonge natuur van Netl Park in. Bamboe, heuvels, strand en heel veel mogelijkheden om te verdwalen in groene rust. De polderaarde, nog niet zo lang geleden door mensenhanden ingericht, in zijn puurste vorm. Of die je dat in ieder geval doet geloven.

Als je je waagt aan een kleine wandeling kom je vanaf de camping binnen no-time uit bij de zwemplas van Netl, inclusief niet al te volle strandjes en leuke strandtent. Er zijn kleedhokjes, toiletten en douches beschikbaar voor de strandgasten en een enorme bult zand, waar de kinderen graag vanaf rollen/rennen/kruipen.

Al zwemmend kun je nog meer leuke plekjes ontdekken op het park. Leuk detail: in het water vlakbij de strandtent zit een wel heel luidruchtige kikker, die af en toe een behoorlijke keel opzet.

De beroemde polderluchten zijn onderdeel van het ‘interieur’

Netl Park is jong, de begroeiing is (nog) niet zo hoog. Daardoor zijn de beroemde polderluchten een belangrijk onderdeel van het ‘interieur’ van het natuurkampeerterrein. Ruimte, wind, weidsheid, maar ook: alle ruimte om te vliegeren. Het is maar een suggestie.

Even los van de elementen, je wordt als kampeerder ook gewoon ontzettend blij van campingbeheerder Jelle, die gastvrij, vriendelijk en met veel humor zijn gasten in de watten legt. En van het mooie toiletgebouw met warme douche, afwasplek, schone toiletten en ruime babybadjes inclusief een knus muziekje.

En eerlijk is eerlijk: de wifi voor huis tuin en keuken-gebruik is ook fijn (om die ene gevonden rups even te Googlen en de kruiden uit de tuintjes te checken). Net als het stroom dat op alle plekken gratis voor handen is, maar natuurlijk niet gebruikt hoeft te worden.

IMG_0280

Advertenties

Hij kon haar niet redden. Juíst hij niet.

‘Er is geen slechtere hulpverlener dan een ouder’, zei een vader van een verslaafde dochter van de week tegen mij in een interview. Zelf werkzaam in de verslavingszorg, een dochter die al sinds haar negende gebruikt; hij kon haar niet redden. Juíst hij niet. En dat snapte hij nu, na slopende jaren van proberen het leven van zijn dochter op de rit te krijgen. Zijn pijn raakte me.

De dag dat ik besloot niet langer de ‘hulpverlener’ van mijn verslaafde broertje te zijn, herinner ik me nog als de dag van gister. Ik had kort daarvoor een chatsessie gehad met een familietherapeut, via een of andere verslavingshulpsite.

,,Ik probeer hem in leven te houden, ja”

Die vroeg mij wat ik nou eigenlijk voor relatie wilde met mijn broertje. Huh? Hoe bedoel je? Ik probeer hem in leven te houden, ja. Veel tijd om een ‘leuke relatie’ te onderhouden heb ik nu even niet, mafkees.

Maar die ‘domme’ vraag zette me wel op een goed spoor. Want inderdaad, wat wilde ik nou eigenlijk nog met mijn broertje? Wilde ik de rest van mijn leven zijn gangen blijven nagaan? Nachten wakker liggen, omdat hij weer de hort op ging? Ruzie met hem maken als hij weer een terugval had of op weg was daar naar toe?

Nee, ik wilde graag weer gezellig met hem kunnen ouwehoeren over films, muziek en het leven. En weer samen onbedaarlijk kunnen lachen om grappen die alleen wij leuk vinden. Of slenteren door de stad en uren sneupen in de bakken met onzindingen bij de Aldi.

,,Zijn verslaving is van hem en alle troep die het veroorzaakt ook”

‘Nou’, zei die therapeut. ‘Ga dat dan weer doen met hem. Zijn verslaving is van hem en alle troep die het veroorzaakt ook. Dat wordt een verboden gespreksonderwerp voor jullie. Jij hoeft daar niks meer van te weten.’

Ik voelde een soort opluchting, maar eerlijk is eerlijk: ik vond het ook een heel gek advies. Ik kon die verslaving toch niet zomaar even weggummen uit onze relatie?

Nou, dat kon dus wel. Het bleek de gouden tip. Kort daarna sprak ik mijn broertje weer, die net uit een terugval kwam. We gingen ergens lunchen en hij begon meteen zenuwachtig te vertellen dat het weer fout was gegaan. Daarna dook hij in elkaar, wachtend op de tirade die hij van mij gewend was.

,,Geen opdonder? Niks? Echt niet?”

Maar die kwam niet. Ik zei alleen maar: ‘Wat vervelend voor je. En wat heb je verder eigenlijk nog gedaan deze week?’ De verwarring in zijn ogen zal ik nooit vergeten. Hij baalde er eigenlijk een beetje van, leek het wel. Geen opdonder? Niks? Echt niet?

Kennelijk deelden we tot die tijd samen de verantwoordelijkheid voor zijn verslaving. En nu zei ik opeens: zoek dat lekker zelf maar uit. Hoe is het verder met je? Wat een verademing! Al snel hadden we het over leuke dingen en was het gewoon weer ouderwets gezellig. Inderdaad, er is geen slechtere hulpverlener dan een ouder. Of een zus.

 

 

Knutselhorror

Hoe moeilijk kan het zijn? Gewoon met wat behanglijm. En wol. En een opgeblazen ballon. En een zelfverzekerde, jonge meester. En zo’n struise diehard-knutselmoeder. Echt, Debora, hoe moeilijk kan het zijn, dacht ik toen ik me vol goede moed opgaf voor de jaarlijkse lampionknutselochtendjes op school. Ik weet niet of ik het mezelf en de kosmos en de wereld en mijn eeuwige bewijsdrang ooit kan vergeven. Sukkel.

Want kijk, A: ik ben geen knutselaar. Nooit geweest. Mijn moeder was dat wel en die zei ook altijd al: ‘Onze Debora kan niet knutselen. Te ongeduldig. Te grove motoriek. Te alles wat je niet kunt gebruiken bij knutselen.’ Dus dat.

En B: ik ben niet zo goed met heel veel kinderen bij elkaar. Ook niet met heel veel volwassenen in een ruimte trouwens. En zeker niet met vrouwen in groepsverband, want die vind ik dus echt doodeng, maar dat is weer een ander verhaal.

,,En toen zat ik daar met een emmer behanglijm en een shitload aan witte wol”

En toen zat ik daar dus op een woensdagochtend in dat lokaal met een emmer behanglijm, een shitload aan bollen witte wol en ballonnen op een achterlijk klein stoeltje. De kindertjes stroomden het lokaal binnen, de meester legde uit wat de bedoeling was. Het leek allemaal doodsimpel, echt waar.

Maar ik weet niet hoe, ik weet niet wie en ik weet zeker niet waarom….binnen 1 minuut na de start kon je dat simpel weg weghalen en wilde ik alleen nog maar dood. Of nou ja –aanhalingstekens openen- er even niet meer zijn –aanhalingstekens sluiten.

Serieus, het voelde alsof de wereld verging en ik dat alleen nog kon tegenhouden door als een bezetene rond te rennen met plastic bekertjes behanglijm, terwijl ik als een gek slierten witte wol knipte en alle betrokkenen in dit verhaal moed inpraatte omdat ‘echt alles heus wel goedkwam hoor’.

,,Lijm in mijn oog, lijm in mijn oog!”

Hoe kan iets dat zo simpel lijkt van te voren, zo snel uitmonden in een slagveld waar de beruchte, gruwelijke Red Wedding uit Game of Thrones bij verbleekt? ‘De lijm is op!’ ‘Mijn wol blijft niet zitten!’ ‘Ik heb wol nodig!’ ‘Mijn kleren mogen niet vies worden!’ ‘Mag ik naar de wc?’ ‘Ik vind die lijm vies!’ ‘Ik heb wol in mijn neus!’ ‘Lijm in mijn oog, lijm in mijn oog!’, werd in anderhalf uur als een soort mitrailleurgeschut op me afgevuurd.

,,Alles kwam goed. Als je van een fragiele lampion houdt”

Eerlijk is eerlijk, de zelfverzekerde, jonge meester, de struise diehard-knutselmoeder en ik toonden ons dappere en waardige strijders. En die lieve kindjes ook. En uiteindelijk kwam ook alles wel goed, als je tenminste van een rommelige, fragiele lampion houdt die ieder moment uit elkaar kan vallen.

Maar nee, dat knutselen in de klas. Er moet heel veel behangplaksel aan te pas komen, om mijn relatie daarmee te lijmen.

 

 

 

 

 

 

 

 

Ik heb vertrouwen, besluit ik

Hij komt net uit een afkickkliniek. Daar zat hij 16 weken om weer terug op aarde te komen. Want man, wat was hij ver weg. In doodsangst rende hij soms de straat op, ervan overtuigd dat er op hem werd geschoten. Zijn huis raakte hij kwijt, want de hypotheek kon hij niet meer betalen. En hardop praten wilde hij niet meer, want ‘je weet nooit wie er mee luistert’. Alle ventilatiegaten in de woning had hij vakkundig dichtgemaakt uit angst dat de buitenwereld hem wilde vergiftigen.
En nu staat hij op mijn stoep. Clean. Weer wat kilo’s aangekomen. Kleur op zijn wangen en die kenmerkende kinderlijke verlegen blik van een verslaafde die net uit gebruik is en zich nu realiseert hoezeer het mis ging de afgelopen maanden.

Zijn ziel voelt intens verdrietig’

Zijn hoofd lijkt weer een beetje op orde, zijn ziel voelt intens verdrietig. Kwetsbaar is hij. Heel kwetsbaar. En moederziel alleen in een vreemde stad. Mijn hart breekt een beetje voor hem.
‘Je zat diep hè’, vraag ik hem. ‘Ja’, antwoordt hij met een verlegen glimlach. Zijn begeleider springt bij. ‘Maar we gaan hem weer op de rit krijgen hoor.’ ‘Mooi zo’, zeg ik. ‘Als je een keer wilt mee-eten of zo. Bel maar. Kan altijd’, hoor ik mezelf zeggen. Ik schrik er een beetje van. Wat zeg ik nou weer?

‘Ver weg van dealers die hem graag zijn eerste ‘high’ weer verkopen’

Deze verslaafde in herstel is een goede vriend van mijn broertje Freek, die nu op reis is. Hij mag zijn woning een paar maanden gebruiken om zijn leven weer op de rit te krijgen, zoals Freek dat jaren terug ook in zijn huis mocht. Op veilige afstand van de drugsdealers die hem maar al te graag weer een eerste ‘high’ verkopen.

Voor vertrek hing mijn broertje welkom-slingers op. Hij liet wat administratieve taken voor hem achter, de zorg voor zijn kat en hij gaat ook de NA-meetings hier in de polder voor hem runnen. Ik vond dat lief, maar ook een beetje naïef. ‘Is dat niet riskant, Freek? Hij is maar net weer terug op aarde.’

Hij vertrouwde mij, ik vertrouw hem’

Maar daar wilde hij niks van weten. ‘Als ik dat vertrouwen niet van hem had gehad toen ik net in herstel was, had ik het ook niet gered.’ Waar, echt waar. Maar wat haal je je weer op de hals, dacht ik. Zoals zoveel mensen ook -terecht- tegen mij zeiden toen mijn broertje zo diep verborgen zat in zijn verslaving.

Van mens tot mens’

En nu staat hij op mijn stoep. Met zijn gebroken hart en dat ontroerende kwetsbare. En al mijn bezwaren vallen weg. Zonder erbij na te denken, bied ik mijn hulp aan. Van mens tot mens. De begeleider wordt erdoor geraakt, merk ik. ‘Veel mensen hebben toch een bepaald beeld bij verslaafden’, zegt hij. ‘Weet ik’, zeg ik. ‘Maar ik heb vertrouwen, heb ik zojuist besloten. In hem. In mij. Kom maar op.’

Nooit meer een verslaafde in mijn huis

Hij zei dat hij bij een vriend was. Maar een vriendin van hem appte me dat hij ‘kwijt’ was. De rillingen in mijn nek, de steen in mijn maag en de kou om mijn hart leidden het onvermijdelijke weten in. Mijn verslaafde broertje had weer een terugval. Correctie: mijn verslaafde broertje die bij mij en mijn gezin met twee jonge kinderen inwoonde, had weer een terugval. Ik wist, nee voelde, meteen: de deur gaat op slot. Geen verslaafde in gebruik in mijn huis. Nooit meer. NOOIT MEER.

‘Je kinderen liggen toch al te slapen?’

Ik appte hem dat hij niet bij ons kon komen, nu hij onder invloed was. Hij belde. Boos. Verbaasd. Of hij toch alsjeblieft ‘thuis’ kon slapen. Nee, zei ik. ‘Maar waar moet ik dan heen’, klonk hij wanhopig. ‘Weet ik niet, Freek.’ ‘Maar je kinderen liggen toch al te slapen? Die zien mij niet eens’, drong hij aan. Nee, zei ik opnieuw.

In al die jaren van zijn verslaving was ik nog nooit zo zeker van mijn zaak geweest. Nee, nee, nee en nog eens nee. ‘Dan moet ik dus op straat slapen’, huilde hij. ‘Geen idee. Je moet maar even wat anders regelen, want hier kun je nu niet zijn’, antwoordde ik.

‘Ik wist zeker: hij gaat vannacht dood’

Hij verbrak de verbinding. Ik haalde adem en brak in duizend stukjes. Want ik wist zeker: hij gaat vannacht dood. Mijn kleine, lieve broertje sterft gevangen in zijn verslaving moederziel alleen ergens onder een brug. En dat is mijn schuld.

Ja, hij sliep die nacht –en nog een paar nachten extra- onder een viaduct. Moederziel alleen waarschijnlijk ook. En ja, dat kwam doordat ik als zus samen met al zijn vrienden na jaren van ellende opeens een duidelijke grens trok. Nu. Is. Het. Genoeg.

Maar van mijn andere voorspelling klopte niks. Mijn broertje ging niet dood die nacht. Sterker nog, mijn broertje werd daar, op die plek en op dat moment opnieuw geboren. Die afschuwelijke, donkere nacht waarin onze harten elkaar even niet konden verbinden, waren het begin van zijn herstel.

‘De pijn bleek een zaadje voor een nieuw leven’

Inmiddels is hij al een paar jaar clean en helpt hij andere verslaafden om van dat vreselijke beest af te komen. One day at a time, met ups en downs, maar we zijn elkaar nooit kwijtgeraakt. Ook niet toen ik hem die nacht op straat zette. Juíst niet. Het heeft onze band alleen maar verstevigd. In die nacht waren we misschien verder bij elkaar vandaan dan ooit, maar de pijn die dat veroorzaakte, bleek het zaadje te zijn voor een nieuw leven.

‘Hulp voor omstanders is schaars’

Over een paar maanden begin ik aan een opleiding voor het begeleiden van families rondom verslaafden. Omdat ik geloof dat ik ‘als zus van’ heb bijgedragen aan het in stand houden van zijn verslaving. En dat doet iedereen die ermee te maken heeft. Want leven met een verslaafde in gebruik is ontzettend ingewikkeld.

Het op straat zetten van mijn broertje kon ik pas na jaren van vallen en weer opstaan. Hulp voor omstanders is schaars, ik vond er te weinig van en veels te laat. Dat moet anders. Met goede hulp kunnen we families misschien wel bij elkaar houden. En dat kan in de donkere, eenzame nachten van een verslaving nou net het verschil maken tussen leven en dood.